Waarom ik kandidaat ben voor de Eerste Kamer

Vandaag start het interne GroenLinks referendum over de kandidatenlijst van de Eerste Kamer en het Europees Parlement. Ik sta op een eervolle 11e plaats.  Op dit blog kun je zien wat ik de afgelopen zes jaar voor GroenLinks heb gedaan: lokaal, provinciaal en landelijk.

Hieronder de brief die ik stuurde naar de kandidatencommissie. En voor de sceptici: van 4 naar 11 zetels onmogelijk? Groningen bewijst het tegendeel. Ik zou zeggen: dat kan beter 😉

Geachte leden van de kandidatencommissie, beste GroenLinksers,

De Eerste Kamer is hét Huis waar de kwaliteit van onze wetgeving wordt bewaakt. En dat is hard nodig. Met een kabinet dat adviezen van de Raad van State en de Algemene Rekenkamer steeds vaker terzijde schuift. Met een parlement waarin het coalitiemonisme steeds knellender vormen aanneemt. Met verstrekkende bezuinigingen op de rechterlijke macht. Onze democratische rechtstaat staat onder druk. De Eerste Kamer wordt daardoor steeds belangrijker. De senaat is immers bij uitstek de plek waar een oordeel wordt geveld over rechtmatigheid, doeltreffendheid en uitvoerbaarheid van wetsvoorstellen. Een taak die altijd al belangrijk was, maar steeds urgenter is geworden. Om die reden stel ik mij vol overtuiging kandidaat voor de Eerste Kamer.

In de gemeente en de provincie heb ik de afgelopen twaalf jaar met heel veel inzet en nog meer plezier ons GroenLinks verhaal verteld. Als raadslid en wethouder Ruimtelijke Ordening in Bergen, als fractievoorzitter van de Statenfractie in Noord-Holland en als bestuurslid in de lokale en provinciale afdeling. Daarnaast was ik voorzitter van de programmacommissie voor de Statenverkiezingen van 2015 in Noord-Holland. In die periode ben ik woordvoerder geweest op alle portefeuilles. Breed inzetbaar dus, maar wel met persoonlijke voorkeuren. Terwijl ik in het dagelijkse leven mijn hart verpand heb aan het onderwijs, ligt mijn politieke passie bij het brede veld van ruimtelijke ordening. De komende jaren is daar met de invoering van de Omgevingswet aandacht voor nodig, om te zorgen dat die wet geen ordinaire dereguleringswetgeving blijft maar gaat bijdragen aan een gezonder Nederland waarin waardevolle landschappen de bescherming krijgen die ze verdienen.

Als fractievoorzitter hecht ik veel waarde aan het bieden van kansen aan de leden in de fractie en aandacht voor ieders persoonlijke kwaliteiten. Samen met een gezonde dosis humor en regelmatige gezamenlijke activiteiten zijn dat volgens mij de sleutels tot een goed functionerend team. Zelf koppel ik een sterk ontwikkeld analytisch vermogen aan een goed gevoel voor politieke strategie, het talent om een boodschap op hoofdlijnen over te brengen aan een scherp ontwikkeld oordeelsvermogen. Ik wil die kwaliteiten graag inzetten ten behoeve van een hopelijk grote, maar in ieder geval zelfbewuste en rolvaste Eerste Kamer fractie.

Volgens minister Donker Curtius was de Eerste Kamer er niet om het goede te stichten, maar om het kwade te voorkomen. Daarmee deed hij de Eerste Kamer tekort. Alhoewel zijn instrumenten beperkt zijn in aantal en uitbreiding verdienen is de senaat door zijn aandacht voor de kwaliteit van wetgeving onmisbaar voor een veerkrachtige democratische rechtstaat. Ik wil daar graag een bijdrage aan leveren en hoop daarom op een uitnodiging om mijn kandidatuur te kunnen toelichten.

Met vriendelijke groet,

Alwin Hietbrink

Advertenties

Onderwijs op maat slaat door

Eind augustus publiceerde de Volkskrant een opiniestuk van me over onderwijs. We dreigen in alle aandacht voor maatwerk en gepersonaliseerd leren de school als gemeenschap uit het oog te verliezen. Dat heeft gevolgen voor de school en voor kansengelijkheid. Dat moeten we niet laten gebeuren. Hieronder de tekst van het stuk. De link naar het artikel in de Volkskrant vind je hier.

Een lofzang op de school als gemeenschap.

De school als fabriek. Het is een metafoor die te pas en te onpas gebruikt wordt om de inrichting van ons huidige onderwijs te bekritiseren. De school zou op industriële leest geschoeid zijn en voorrang geven aan efficiëntie en standaardisatie boven betekenisvol leren van de individuele leerling.

Dat het woord ‘plofklas’ door het Genootschap Onze Taal in 2017 tot woord van het jaar werd uitgeroepen hoeft dan ook niet te verbazen. Het is een veelzeggende echo van het protest van scholieren – inmiddels alweer 10 jaar geleden – tegen ‘ophokuren’, toen de overheid de onderwijstijd ging reguleren. Het hedendaagse onderwijs als intensieve ‘mensbouw’. Dat die kritiek een gevoelige snaar raakt verbaast niet. We zijn immers allemaal verschillend en aandacht daarvoor is sinds jaar en dag één van de grootste uitdagingen voor docenten. Tel dat op bij de snel voortschrijdende individualisering van onze samenleving en het pleidooi voor meer maatwerk is begrijpelijk en verklaarbaar. Er is dan ook breed draagvlak voor in het onderwijs, bij de VO-raad en het ministerie.

School als verbindingspunt

Maar dat pleidooi is niet zonder haar eigen problemen. Niet ieder kind is toegerust om zijn eigen leerweg uit te stippelen. Misschien nog fundamenteler is de vraag op welke opvatting over leren en onderwijs de roep om meer individuele onderwijsvormen stoelt. In haar meer extreme varianten wordt die roep geschraagd door een cafetariamodel waarin leerlingen persoonlijke leerdoelen formuleren en daar samen met een coach het (digitale) aanbod bij kiezen. Kunskapsskolan Education (KED, in vertaling Kennisschool), een van oorsprong Zweeds onderwijsconcept, is in Nederland tot op heden het meest succesvolle bedrijf met een dergelijke onderwijsvisie. Inmiddels zijn meer dan 50 scholen in ons land aangesloten bij KED. Dat de topman van KED geen bezwaar had tegen de vergelijking met McDonald’s geeft te denken. Van fabriek naar cafetaria. Veel gezonder wordt het er niet op.

Gelukkig is er meer dan de fabriek of de cafetaria. Wat in alle aandacht voor eigenaarschap van leerlingen, maatwerk en gepersonaliseerd leren ontbreekt is de school als gemeenschap. Door de grote nadruk op persoonlijke ontwikkeling dreigen we het onderwijs als verbindingspunt van gemeenschapsvorming uit het oog te verliezen. De school als gemeenschap komt in het onderwijsdebat alleen in negatieve zin in beeld: als de plek waar alle individuele eigenschappen ondergeschikt worden gemaakt aan de eisen van het onderwijs als fabriek. Of als een belemmering voor de persoonlijke ontwikkeling, een obstakel voor de vrijheid om je eigen leerdoelen te realiseren. Begrijpelijk dus, dat de school als gemeenschap uit het oog is verloren. Maar ook zeer verontrustend omdat de individualisering van ons onderwijs verstrekkende gevolgen heeft.

Toename van kansenongelijkheid

E.D. Hirsch pleit in Why Knowledge Matters (2016) voor onderwijs dat in belangrijke mate rust op een gemeenschappelijk curriculum met een grote nadruk op taalvaardigheid en het leren van publieke conventies. Autonomie en gelijke kansen zijn daarbij leidend. Hirsch onderbouwt zijn betoog voor gemeenschappelijke kennisverwerving met voorbeelden die grote vraagtekens plaatsen bij de zegeningen van geïndividualiseerd onderwijs. In Frankrijk werd eind jaren ’80 afscheid genomen van een sterk gecentraliseerd, kennis-georiënteerd onderwijsmodel. Dat maakte plaats voor een gedecentraliseerd systeem waarin de leerling en zijn onderwijsbehoefte op de eerste plaats kwam. De gevolgen waren verstrekkend. De taalvaardigheid van alle leerlingen daalde in 20 jaar tijd en de grootste daling was bovendien zichtbaar bij kansarme kinderen: de kinderen van arbeiders en werklozen. De kansenongelijkheid nam als gevolg van de invoering van het nieuwe onderwijsstelsel dus fors toe. Het Franse voorbeeld ondersteunt de waarschuwende woorden van de Onderwijsraad en hoogleraar sociologie Herman van de Werfhorst, die stelden dat maatwerk ongelijke kansen mogelijk in de hand werkt.

De school als gemeenschap is toe aan een herwaardering. Wat ons bindt is belangrijk en het verzorgen van een gemeenschappelijke basis voor al onze kinderen kan een belangrijke bijdrage leveren aan grotere kansengelijkheid. Wat daarbij niet helpt is ons denken over de gemeenschap. Een pleidooi voor de school als gemeenschap moet zich ontworstelen aan de spruitjesgeur die er al snel mee wordt geassocieerd. Een andere kijk op het belang van de gemeenschap kan daarbij helpen. Want die is niet alleen nodig als ondergrond en om vast te stellen wat we gemeenschappelijk hebben. Een pleidooi voor de gemeenschap draait vaak om verbondenheid en wat we met elkaar delen.

Dat is niet de enige reden om de school als gemeenschap te herwaarderen. De gemeenschap is immers niet alleen nodig om eenheid te vinden, maar ook om verschil te maken. De gemeenschap is ook dat wat we alleen niet kunnen vinden. Je hebt anderen nodig om te kunnen verschijnen als wie je bent. In al onze ijver om elke leerling onderwijs op maat te bieden, vergeten we weleens dat je niet als individu wordt geboren, maar je eigen persoonlijkheid ontwikkelt als lid van een gemeenschap. Je kunt je dus afvragen of gepersonaliseerd leren wel bijdraagt aan persoonsvorming. Want wie je bent, word je pas samen met anderen.

Aandacht voor toenemende ongelijkheid, ook in de provincie

Op 9 juli bespraken we in Provinciale Staten de Kaderbrief 2019. De meeste partijen constateerden daar tevreden dat het weer goed gaat met Nederland, en nog beter met Noord-Holland. Maar dat miskent de toenemende ongelijkheid in ons land, ook in onze provincie. Aandacht voor die onwenselijke sociale verschillen is ook een taak van de provincie en voor ons inzet bij de komende verkiezingen. Mijn spreektekst staat hieronder.

Voorzitter,

Voor ons ligt de laatste kaderbrief van deze bestuursperiode. Een mooi moment om kort terug te blikken en vooruit te kijken naar een nieuwe periode. In veel Noord-Hollandse gemeentes is GroenLinks na de verkiezingen van maart weer vertegenwoordigd in het bestuur, op verschillende plekken werden we zelfs de grootste partij. Alle reden dus om optimistisch te zijn over de kansen voor een groener en duurzamer Noord-Holland.

Toen wij eind 2015 de begroting van het daaropvolgende jaar met elkaar bespraken waren we nog in afwachting van de uitkomsten van de onderhandelingen over het klimaatakkoord in Parijs. En daar werd geschiedenis geschreven. En afgelopen maand werd het aanpakken van klimaatverandering in Nederland verankerd in een ambitieuze klimaatwet. In 2050 moet de uitstoot van broeikasgassen met 95% gedaald zijn. Om dat te realiseren kan ook Noord-Holland een consequente keuze voor schone energie niet langer uit de weg gaan.

Parijs is de nieuwe bestuurlijke werkelijkheid. Tijd dus om ook als provincie ambitie te tonen en als bestuurslaag met een belangrijke taak op het gebied van duurzame energie het voortouw te nemen. Want daar schort het nog al eens aan wat GroenLinks betreft. Te vaak neemt Noord-Holland een afwachtende houding aan of formuleren we beleid dat onverenigbaar is met de enorme opgave die ons te wachten staat. Dat provinciale falen wordt het meest pijnlijk duidelijk in de achterhaalde windmolenregels die we hier hebben vastgesteld. Ondanks grote druk en scherpe kritiek van gemeentes, de VVD Amsterdam, een D66 partijcongres, een havendirecteur, groene organisaties, energie-coöperaties en een afgetreden gedeputeerde blijft deze coalitie volharden in het standpunt dat er in Noord-Holland niet ‘teveel’ windenergie mag worden opwekt. Teveel als in, ‘geen MW meer dan de met de rijksoverheid afgesproken 685,5 MW’. Die bovengrens was al niet uit te leggen, met Parijs en het nieuwe regeerakkoord is ze ook onhoudbaar geworden. Om die reden dienen wij een motie in waarin we Gedeputeerde Staten (GS) verzoeken de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) zo te wijzigen dat de cap op windenergie wordt geschrapt .

Wij vinden het ook van belang dat nu echt werk gemaakt gaat worden van de ondersteuning van lokale initiatieven die zijn gericht op het opwekken van schone energie. Om die reden dienen we een amendement in om een subsidiefaciliteit voor deze organisaties op te richten en daarvoor 3 miljoen euro beschikbaar te stellen. De dekking daarvoor vinden wij in de gelden die nog in 2019 bovenop motie 110 beschikbaar komen voor projecten die de energietransitie versnellen. Wij denken dat dit een mooie manier is om lokale initiatieven ruim baan te geven.

Een actievere houding verwachten we ook op het gebied van het NatuurNetwerk Nederland. De realisatie van het netwerk loopt achter, zelfs op het eigen schema van GS (2015: 320 ha, 2016: 58 ha, 2017: 148 ha). We zijn blij dat er nu een klein beetje gespaard gaat worden om het enorme tekort dat er is te verkleinen (eindelijk!), maar dat gaat veel te langzaam om echt verschil te maken. Wij storen ons er ook aan dat er wel en vaak meer geld wordt gereserveerd voor zaken die nog helemaal niet uitgewerkt zijn, terwijl voor een tekort dat bekend is en bovendien een verplichting behelst zo karig wordt gereserveerd. Het komt er op neer dat we tot en met 2025 13,5 miljoen euro reserveren voor een tekort dat voor zover wij weten op 135 miljoen is geraamd. 10% dus, de resterende 90% mogen onze opvolgers ergens vinden. Om die reden stellen wij de Staten voor om een aantal posten te schrappen die nog onvoldoende uitgewerkt zijn (vanaf 2020 sponsoring, visie waterrecreatie en informatieagenda) en die middelen toe te voegen aan de reserve Groen. Het gaat om een bedrag van in totaal 15,69 miljoen euro in de periode 2019-2022. Verder vragen wij van GS een toezegging om bij de begroting 2019 met een spaarplan te komen dat echt zoden aan de dijk zet.

De provincie Noord-Holland of althans de huidige coalitie heeft zich bekeerd tot een interpretatie van de kerntaken van de provincie die in haar beperktheid uniek is in Nederland. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de verkrampte discussie over cultuur en cultuureducatie die telkens opnieuw gevoerd moet worden in deze vergaderzaal. Ook nu weer zien we dat GS voorsorteert op een heel beperkte invulling van die kerntaken als het gaat om de zgn. regiodeals. Tot en met 2021 staat daar 29 miljoen euro voor gereserveerd in de Kaderbrief. Als het aan GS ligt zal daarvan nul euro naar cultuur en cultuureducatie gaan en zullen ook leefbaarheid, sociale infrastructuur en het voorzieningenniveau geen gebruik kunnen maken van die middelen. Dat is doodzonde. Wij dienen daarom een amendement in om de keuze voor bepaalde onderwerpen en accenten aan een nieuwe coalitie over te laten. Als het aan GroenLinks ligt zal juist de sociale dimensie van ons provinciale handelen de komende bestuursperiode meer aandacht moeten krijgen.

“Het gaat goed met Nederland”. Dat was denk ik de meest gehoorde algemene uitspraak tijdens de commissievergadering over de Kaderbrief. “En het gaat nog veel beter met Noord-Holland”, hoorde ik daar een aantal sprekers aan toevoegen. Waarschijnlijk wordt dat optimisme ingegeven door economische groeicijfers en een daling van de werkeloosheid. Net zo makkelijk kun je constateren dat de inkomensongelijkheid in onze provincie fors hoger is dan het Nederlandse gemiddelde (NH: 7,2, Nederland; 6,3) en dat hetzelfde geldt voor het percentage inwoners dat langdurig van een laag inkomen moet rondkomen (NH: 11,2 %, Nederland 10,1%). Dat terwijl het gemiddeld besteedbaar inkomen en het gemiddelde vermogen in Noord-Holland hoger zijn dan het landelijk.

Elke bestuurslaag dient actief na te denken over de manier waarop ze deze groeiende verschillen kan verkleinen. De opgave die er ligt op het gebied van natuur en duurzame energie staat niet los van dergelijke sociale vraagstukken. Of onze inwoners allemaal een bezoek kunnen blijven brengen aan onze prachtige recreatiegebieden ligt ook aan de bereikbaarheid van die plekken en de betaalbaarheid van ons openbaar vervoer. Of onze inwoners betaalbare woningen kunnen blijven huren of kopen ligt ook aan de keuzes die de provincie maakt op het gebied van sociale woningbouw. Of onze inwoners de rekening voor de energietransitie kunnen blijven betalen ligt ook aan de instrumenten die wij willen inzetten om ze daarbij te ondersteunen. GroenLinks kiest voor een duurzaam en groen Noord-Holland dat voor iedereen toegankelijk en betaalbaar is. Wat ons betreft is dat een belangrijke belofte richting de verkiezingen van volgend jaar.

 

Provincie op ramkoers over A8 A9

In juni bespraken we in de commissie Mobiliteit en Financiën het voornemen van Gedeputeerde Staten om in het prachtige groene gebied tussen Zaandam en Heemskerk dat deels de status van Werelderfgoed heeft een autoweg aan te leggen. De zogenaamde Golfbaanvariant stuit op verzet van lokale overheden, groene partijen en GroenLinks. Mijn bijdrage lees je hieronder.

In augustus werd duidelijk dat Provinciale Staten mogelijk niet op tijd, onvolledig of onjuist is geïnformeerd door GS. Ik stelde daarover kritische schriftelijke vragen. Lees daarover hier meer.

Provincie ligt op ramkoers met de regio. Tijd voor radicale herbezinning

Gedeputeerde Staten drijven met hun besluit om te kiezen voor de Golfbaanvariant als tracé voor een verbindingsweg tussen de A8 en de A9 een enorme wig tussen de provincie en de regio. De andere onderzochte varianten, de Heemskerk en het Nul-plusalternatief, verdwijnen definitief van de agenda. In plaats van dat er een integraal plan voor het hele gebied wordt gemaakt gaan Gedeputeerde Staten nu alleen aan de slag met een landschapsplan (= inpassingsplan) voor de Golfbaanvariant.

Pittige weerstand vanuit de IJmondgemeenten

Er is pittige weerstand tegen de lijn van Gedeputeerde Staten. Zo zijn de gemeenten Heemskerk en Beverwijk mordicus tegen de Golfbaanvariant. Zij stellen terecht dat de leefbaarheid niet voldoende is onderzocht. Velsen heeft in een stevige brief aangegeven dat er een landschapsplan voor zowel het Heemskerk- als het Golfbaanalternatief moet worden gemaakt. Zo niet, dan dreigt Velsen de financiële bijdrage aan de verbindingsweg ter discussie te stellen.

Groene organisaties: behoud groene long

Ook groene organisaties zijn uitermate kritisch over het besluit van Gedeputeerde Staten. Landschap Noord-Holland, Stichting Oer-IJ, Natuur- en Milieufederatie Noord-Holland, de Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland en Vogelbeschermingswacht Zaanstreek vinden dat ‘deze aanpak geen recht doet aan de veel bredere maatschappelijke en ruimtelijke opgaven die in dit gebied spelen’. Ze hebben aan het provinciebestuur gevraagd om eerst een integraal gebiedsplan te ontwikkelen voor de waardevolle groene long, en dat plan leidend te maken voor verdere besluitvorming. Natuurlijk is GroenLinks enthousiast over dat initiatief. Er spreekt liefde uit voor het kwetsbare gebied. Het sluit ook uitstekend aan bij het advies van de Rijksadviseurs om alle ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied in beeld te brengen.

Vernietigend oordeel ICOMOS

ICOMOS, het adviesorgaan van Unesco, velde al eerder een vernietigend oordeel over deze variant en ‘sommeerde’ het terug naar de tekentafel. Het zou een ‘ontoelaatbare aantasting van het landschap betekenen’. De Stelling van Amsterdam zou zelfs de status van Werelderfgoed kunnen verliezen. Desondanks sprak Gedeputeerde Staten eind mei 2018 haar voorkeur uit voor een Golfbaanvariant. Je zou dus kunnen zeggen dat ons provinciebestuur dobbelt met de status van het gebied.

Lokale oplossingen

Het is geen geheim dat GroenLinks geen voorstander is van de Golfbaanvariant. Wij hebben altijd gepleit voor onderzoek naar lokale oplossingen van de problematiek, oplossingen die het best aansluiten bij de Nul-plusvariant. Daarin is namelijk onderzocht of het mogelijk is om de problemen op te lossen zonder een nieuwe wegverbinding aan te leggen. Maar Gedeputeerde Staten willen niet verder met dat alternatief. Ze focussen primair op het aanleggen van een nieuwe lap asfalt. De kansen om de leefbaarheid in het gebied te verbeteren blijken van ondergeschikt belang.

Provinciale Staten schuift hete aardappel door

De commissie Mobiliteit zou zich deze maand buigen over de keuze van Gedeputeerde Staten voor de Golfbaanvariant, maar op voorstel van D66 wordt in dit stadium geen besluit voorgelegd aan Provinciale Staten. Het lijkt een ‘slimmigheidje’ om de hete aardappel zo door te kunnen schuiven tot na de verkiezingen. Wat GroenLinks betreft zou er in Provinciale Staten wél een debat moeten plaatsvinden over de keuze voor de Golfbaanvariant. Het gaat hier immers om een ingrijpende beslissing die enorme consequenties heeft voor een nu nog bijzonder provinciaal landschap.

GroenLinks: groene long koesteren en veilig stellen

Het is voor ons een raadsel waarom Gedeputeerde Staten nu al concludeert dat het Golfbaanalternatief de beste verbinding tussen de A8 en de A9 is. GroenLinks heeft het provinciebestuur opgeroepen om meer afstand te nemen en een pas op de plaats te maken. Wat ons betreft begint dat met een erkenning van de uitzonderlijke waarde van het gebied tussen de A8 en A9. Het is een bijzonder stuk Noord-Holland dat we moeten koesteren. Het gaat om prachtig open landschap, dat essentieel is voor de (opgroeimogelijkheden) van weidevogels en verbonden is met de Stelling van Amsterdam. De aanwezige natuurgebieden, met beschermde natuurwaarden, zijn waardevol voor planten en dieren. Niet voor niets loopt het Natuurnetwerk Nederland dwars door het gebied.

Daarom willen wij, evenals de eerder genoemde groene organisaties, dat er eerst een landschapsplan voor het hele gebied wordt opgesteld dat vervolgens wordt voorgelegd aan ICOMOS. Pas daarna kun je er wat van vinden en met elkaar over praten, waarna een goed gewogen en gedragen besluit kan worden genomen.

De blinde voorkeur van het provinciebestuur voor de Golfbaanvariant doet geen recht aan de landschappelijke en cultuurhistorische waarden en is bovendien in strijd met de afspraken uit het coalitieakkoord om de ‘regionale bijdragen voorwaardelijk te laten zijn voor de verdere uitwerking en realisatie van de verbindingsweg’.

 

 

 

 

 

Een lightrailnetwerk voor de Metropoolregio Amsterdam

Voor de zomer lanceerde GroenLinks Noord-Holland een initiatiefvoorstel om de mogelijkheden voor een lightrailnetwerk in de Metropoolregio Amsterdam te onderzoeken. Lightrail in welke vorm dan ook is een onmisbare schakel in elk mobiliteitssysteem van de toekomst. Mijn spreektekst voor de commissie staat hieronder. Het Initiatiefvoorstel lightrailnetwerk MRA vind je hier. Met dank aan Servaz van Berkum die het voorbereidende werk deed!

Beste collega’s,

We bespreken vandaag met elkaar ons initiatiefvoorstel om de mogelijkheden van een lightrailnetwerk in de MRA te onderzoeken. We doen dat in samenhang met het negatieve pre-advies van GS. Ik wil eerst kort toelichten wat de inzet is van ons voorstel, dan reageren op het advies van GS en tot slot een aantal vragen formuleren voor de commissie.

Wat is onze inzet?

GroenLinks constateert net als heel veel anderen dat er iets moet gebeuren om te voorkomen dat de MRA dichtslibt. Want het is druk en het wordt nog veel drukker. Om bereikbaarheid, leefbaarheid en kwaliteit van leven met elkaar te kunnen blijven combineren moet er iets gebeuren. Een schaalsprong in het OV is daarvoor naar onze overtuiging een vereiste. Wij denken dat een lightrailnetwerk een onmisbaar onderdeel zal zijn van een dergelijke schaalsprong. Om die reden hebben we een discussievoorzet geschreven en willen we GS vragen een notitie op te stellen over de rol van de provincie bij het realiseren van een dergelijk netwerk, over de kansen en belemmeringen die GS ziet, de kosten die er bij benadering mee gepaard gaan en de stappen die je zou moeten zetten om tot zo´n lightrailnetwerk te komen. Met die informatie kunnen we dan later dit jaar een expert meeting organiseren. We doen dat bij voorkeur met een zo breed mogelijke coalitie in PS.

Wat is de reactie van GS?

Tot onze grote teleurstelling omarmt GS ons initiatief niet. Het negatieve pre-advies van GS gaat gepaard met een indrukwekkend aantal dooddoeners en drogredenen, zeker gezien de beperkte lengte van de reactie. Het lijkt me daarom goed daar kort op te reageren.

Ja, natuurlijk kent GroenLinks het regionaal OV ambitiebeeld 2040 voor Noord-Holland en Flevoland uit 2016. En ja, daarin staan op pagina 16 een paar regels over beelden die bij een integraal OV systeem horen: “een regiorailsysteem” binnen het kerngebied van de MRA en een “light train systeem” buiten het kerngebied. Op pagina 17 van dat document staat zelfs een kaartje, “visualisaties van denkrichtingen” zoals het voorzichtig heet. Ons initiatiefvoorstel is een uitnodiging om die “beelden” en denkrichtingen te verdiepen. Het is vooral ook een uitnodiging om de rol die de provincie daarin voor zich zelf ziet verder uit te werken.

Terwijl in het pre-advies wordt gemopperd dat de vergelijking met Parijs en andere grote steden niet opgaat, wordt het RER netwerk in Parijs inclusief de voorsteden in het ambitiebeeld uit 2016 als benchmark gezien. Blijkbaar heeft GS op dit punt geen last van voort- maar van terugschrijdend inzicht.

GS verschuilt zich vervolgens achter het gezamenlijke landelijke traject om te komen tot een OV Toekomstbeeld 2040. Dat traject loopt inderdaad en ook GroenLinks vind het belangrijk dat we daar als provincie goed bij blijven aangehaakt. De conclusie echter dat je het totale netwerk als geheel moet bekijken en er niet goed losse onderdelen uit kunt halen lijkt ons onzin. We hebben vorige maand in deze commissie een concept perspectief Fiets besproken dat zeer positief ontvangen is. En terecht. Daar was het blijkbaar wel mogelijk een onderdeel van de keten afzonderlijk te onderzoeken. Wij willen GS uitdagen om voor lightrail iets vergelijkbaars te doen.

Natuurlijk zijn er ook op principiële punten verschillen tussen GroenLinks en GS. Wij vinden inderdaad dat een verschuiving van investeringen in wegenaanleg naar milieuvriendelijk OV noodzakelijk is. GS niet, want haar doel is (blijkbaar) het vergroten van de keuzevrijheid voor de inwoners van Noord-Holland. Dat is een uiterst merkwaardige opvatting van de taak van de overheid als we tegelijkertijd moeten constateren dat bepaalde keuzes belastender zijn voor ons en komende generaties dan andere. GroenLinks vind in ieder geval dat een overheid de taak heeft keuzes te maken die leiden tot een hogere kwaliteit van leven voor onze inwoners. Meer investeren in milieuvriendelijk OV past in dat wereldbeeld.

Het mooie van ons voorstel is dat principiële verschillen van inzicht geen belemmering hoeven te zijn om ons initiatief te steunen. Dat is immers bedoeld om informatie te verzamelen en een eerste aanzet te geven voor een discussie die nodig is om te voorkomen dat de MRA vastloopt. Dat is een urgent probleem en vraagt om een ambitieuze overheid. De gemeenteraad van Haarlem heeft ons initiatief middels een motie unaniem omarmt. Oud-wethouder van Amsterdam Pieter Litjens (VVD) pleitte in januari van dit jaar voor investeringen in ligthrail en  de Zuid-Hollandse gedeputeerde Floor Vermeulen (ook VVD) begrijpt wel dat de overheid haar zaken financieel en organisatorisch op orde moet  hebben om pensioenfondsen en andere grote beleggers te overtuigen om in te stappen. Het is daarom uitermate teleurstellend dat GS in Noord-Holland die handschoen niet wil oppakken. Nu GS zelf niet thuis geeft is het aan ons om die urgentie over te brengen. Om die reden hoop ik op brede steun vanuit Provinciale Staten.

Natuurlijk ben ik benieuwd naar reacties uit de commissie. Ik wil de commissieleden graag vragen of zij nog mogelijkheden zien om ons voorstel aan te scherpen of verbeteren. Partijen die mee willen indienen zijn natuurlijk van harte uitgenodigd om aan te sluiten.

 

 

Democratische waarden bevorderen

Het Barlaeus Gymnasium organiseert jaarlijks een debatwedstrijd voor leerlingen uit klas 4. 64 enthousiastelingen bereiden onder de bezielende leiding van Margriet, Reinier en oud-leerlingen stellingen voor over Europa. Het model van het debat is ontleend aan het European Youth Parliament, waar een delegatie van onze school sinds jaar en dag aan meedoet. Na de voorbereidingen op vrijdag en zaterdag start het debat zondagochtend om negen uur. Ik mag het debat elk jaar openen. Dit jaar greep ik de gelegenheid aan om te pleiten voor het koesteren van democratische waarden. Ook in Europa, waar in steeds meer landen de scheiding der machten met voeten wordt getreden. Hieronder de tekst van mijn  toespraak.  

Dear members of the board, delegates, Reinier and Margriet,

Let me start by expressing my profound gratitude for the invitation to open the Barlaeus Youth Parliament 2018, even at this early, ungodly hour on this sunday morning! In my opening statement I would like to invite today’s delegates – all of you – to prove Margriet wrong. Just for once. Let me explain.

When I started as principal two years ago I was somewhat surprised to find out that the Barlaeus does not have a student council. Of course there are several students in the representative advisory board (the so-called MR, Bibi is one of them) and we have a student committee organising all kinds of activities. But there is no student council that consults with the board on a regular basis about important subjects like the availability of wifi in the building or our policy regarding exams. When I asked Margriet why, she told me that she had tried to start such a council a number of times to no avail. Barlaeans are simply not very interested in participating in such a council, she said, and attempts to start such a council were doomed to fail. As often, Margriet has been proved right until today. I am deeply committed to proving her wrong – just this once – for a reason. Let me take you to Poland for a few minutes to illustrate my point.

Last month thousands of Polish citizens marched the streets of Warsaw in protest against new legislation issued by the Polish Senate threatening the independency of the judiciary. To no avail. Several bills have been signed into law by the Polish president enabling the government to send almost half of the countries’ Supreme court judges into forced early retirement while at the same time giving Poland’s parliament the authority to elect the members of the so-called National Council for the Judiciary. This body is responsible for the appointment of judges in Poland, thus giving parliament direct influence on the election of judges in the future.

This Polish legislation constitutes a serious threat to the independency of the judiciary and has been widely condemned. Frans Timmermans, vice-president of the European Commission concluded that “the country’s judiciary is now under the political control of the ruling majority” and that Poland’s government has put at risk fundamental values expected of a democratic state. For that reason the commission has advised the EU member states to issue a formal warning to Poland under the first clause of an, until now, unused article 7 procedure. A majority of 22 of 28 member states has to vote in favour of this proposal. More serious sanctions – including the possibility to suspend the member state of its voting rights – require unanimity among member states. As Hungary’s right-wing government has already pronounced that they will never support such a move, a deadlock is Europe’s foreseeable future.

After Brexit, the increasing divide between East and West is a new and major challenge for the EU. The assault on an independent judiciary by the Polish government raises questions not only about the core values of the EU but also about the separation of powers between the legislature, executive and judiciary – the so-called trias politica – which is one of the most fundamental principles of our modern democracy. Questions raised not by some totalitarian or authoritarian state somewhere on the other side of the globe but by a member state of the EU.

That brings me to our own country and to our own school. Ninety percent of the Dutch population says that they are in favour of democracy, when asked. More in-depth research suggests however that about a quarter or a third of the Dutch population has a cynical or even hostile attitude towards democracy and democratic values. The good news – one could argue – is that two-thirds of the Dutch citizenry is in favour of a democratic society and the values it embodies. But this response is not enough. If democratic values and skills are not self-evident or given as the Polish example illustrates, they need to be taught to and learned by each new generation. Schools have an important part to play in this education and for that reason social science (maatschappijleer) is compulsory for every student in the Netherlands. Other activities like today’s BYP proceedings are also of the utmost importance in fostering democratic values. I am convinced however that the best way to learn about the importance and relevance of these values is by participating in a student council, because it gives you the opportunity to experience the democratic process while deliberating about issues in which you have an interest.

You still have two years before your final exams. More than enough to form a student council. You are in a unique position to prove Margriet wrong. Just for this once! Thank you for your attention and for today: have fun!

Fatsoenlijke werkomstandigheden voor schoonmakers

Vorig jaar diende GroenLinks samen met een aantal andere partijen een initiatiefvoorstel in over het inbesteden van de schoonmaak in de provincie. In haar pre-advies constateerde ook GS dat de arbeidsvoorwaarden waaronder onze schoonmakers werken slechter zijn dan die van onze ambtenaren. Wij vinden dat onacceptabel. Andere partijen volgden ons helaas niet in deze redenering. Zelfs de PvdA stemde tegen! Hieronder mijn spreektekst.

Initiatiefvoorstel inbesteden schoonmaak

In juni dienden GroenLinks, de SP en 50PLUS een initiatiefvoorstel in over het inbesteden van de schoonmaak in de provincie NH. Na de zomer ontvingen we een advies van GS en in de commissievergadering van november bespraken we ons voorstel met de andere partijen in de provincie. Ik wil GS en alle collega’s bedanken voor hun reacties en zal hier kort ons voorstel toelichten en reageren op de argumenten van de partijen die nog niet overtuigd zijn van de meerwaarde van inbesteden.
De gedachte dat de overheid zich moet concentreren op haar kerntaken en al het overige moet aan- en uitbesteden heeft vanaf de jaren ’90 een hoge vlucht genomen in Nederland. Het lijkt ook voor de hand te liggen. Je doet als overheid wat echt bij je hoort en waar je goed in zou moeten zijn. Al het overige laat je aan marktpartijen die meer expertise hebben. Je stelt aan de voorkant kwaliteitseisen en voorwaarden en controleert achteraf of de gevraagde prestaties ook geleverd zijn. In theorie klinkt het goed. In de praktijk blijkt uit- en aanbesteden veel negatieve gevolgen te hebben. Enerzijds voor de mate van sturing en controle die de overheid nog heeft op belangrijke publieke taken, anderzijds voor werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt die vaak de rekening betaalden in de vorm van een lagere beloning en slechtere arbeidsvoorwaarden. De laatste jaren zien we daarom – terecht denken wij – een beweging om belangrijke taken weer in te besteden en op die manier regie terug te krijgen en taken die worden verricht in opdracht van de overheid ook weer op een fatsoenlijke manier te belonen. Ons voorstel past in die beweging naar meer overheidsregie en betere arbeidsvoorwaarden, vooral voor de mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Het wordt tijd dat we daarmee serieus aan de slag gaan , ook als provincie.

Alle partijen onderschreven in de commissie het belang van goed werkgeverschap. Laten we allereerst met elkaar vaststellen dat er nu verschillen zijn tussen de mensen die werken in onze gebouwen en de mensen die ze schoonmaken. Uit het uitvoerige advies van GS – waarvoor dank trouwens – kunnen we bijvoorbeeld opmaken dat een schoonmaker een eindejaarsuitkering krijgt van 2,2% en een ambtenaar van 8,3 %. GS stelt zelf dat de schoonmakers geen bezwaar zullen hebben om in dienst te treden bij de provincie “omdat de arbeidsvoorwaarden van de provincie beter zijn”. En dat is natuurlijk precies waar het om gaat! Wij vinden die verschillen onacceptabel.
Maar kun je dat dan niet via een aanbesteding regelen? We zouden al die onwenselijke verschillen bij een volgende aanbesteding kunnen opnemen in de voorwaarden en dan is het ook geregeld toch? Die vraag werd door verschillende partijen opgeworpen. Laat ik om te beginnen zeggen dat ik heel tevreden zou zijn als we bij een eventuele volgende aanbesteding de voorwaarde zouden opnemen dat schoonmakers hun werk moeten doen onder precies dezelfde voorwaarden als onze ambtenaren. Dat kost inderdaad meer geld maar die extra uitgaven lijken ons zeer verdedigbaar omdat immers duidelijk is wat we er mee doen. We verbeteren de arbeidsomstandigheden van een beroepsgroep die kwetsbaar is en nu vaak onder slechte omstandigheden zijn werk moet doen.
Ons voorstel gaat echter een stap verder en kiest ook uit meer principiële overwegingen voor inbesteden. Werk is immers meer dan goede arbeidsvoorwaarden, het is ook een organisatie waar je bij hoort. Wij vinden het belangrijk dat onze schoonmakers werken voor de provincie en collega’s zijn van de mensen voor wie ze hun werk doen. Dat heeft te maken met loyaliteit en dat kun je niet via een aanbesteding regelen. Om die principiële reden hebben we ervoor gekozen dit voorstel vandaag aan Provinciale Staten voor te leggen.

Voorzitter, ik ga afronden met een oproep richting de PvdA. Wij hadden dit initiatiefvoorstel graag ingediend samen met de PvdA. Zowel landelijk als in Amsterdam heeft de partij gepleit voor betere arbeidsomstandigheden en het inbesteden van de schoonmaak. Tot onze grote teleurstelling denkt de PvdA in de provincie daar anders over. Echte inhoudelijke overwegingen om dit voorstel niet te steunen hebben we niet gehoord. Meneer Den Uyl gaf in de commissie aan ons voorstel sympathiek te vinden, maar stelde dat het gaat om “een principiële zaak“ die pas aan de orde kan komen bij volgende collegeonderhandelingen . Voorzitter, politiek draait inderdaad om principes maar die worden toch hopelijk niet maar één keer in de vier jaar uit de mottenballen gehaald. Wat doet de PvdA dan in de tussentijd? Ik roep de PvdA daarom op om over een onderwerp dat de partij aan het hart gaat en waarover niets is geregeld in het coalitieakkoord kleur te bekennen. Ik snap dat we niet meteen terug kunnen naar het rozenrood van het oude socialisme maar een beetje rouge of in ieder geval een gezonde blos op de wangen zou de provinciale PvdA niet misstaan.